HOME < IN DE ZOEKER < SOORTEN
IN DE ZOEKER

Wolken

Wolken zijn fascinerend. Wie heeft er niet als kind op de rug in het gras liggen kijken naar de wolken? Met wat fantasie zie je zomaar olifanten of krokodillen boven je hoofd voorbij komen. De vorm van wolken verandert vaak snel, dat maakt wolken interessant als onderwerp van een foto en voor een timelapse.

Wolken
Hoge sluierbewolking in combinatie met lager hangende stapelwolken
Delen

Landschapsfotografen balen meestal van stralend onbewolkt ‘mooi’ weer met een strakblauwe lucht. Wolken brengen juist diepte in een landschapsfoto en kunnen een belangrijk onderdeel van je compositie vormen. Wolken worden onderverdeeld in tien hoofdtypen. Het onderscheid wordt gemaakt op basis van de hoogte waarop de wolken zich bevinden en/of hun verschijningsvorm.

Hoge bewolking  (boven 5,5 km) 

Cirrus (vederwolken) bestaat uit vezelachtige wolkstructuren, regelmatig in een kommavorm. Ook de hoge condensstrepen van vliegtuigen vallen hier onder. In cirrusbewolking kun je vaak bijzonnen zien. Cirrus zie je bij mooi weer, maar vaak is cirrus wel een eerste indicatie van een naderend warmtefront, al kan dat soms nog enkele dagen duren.

Cirrostratus zijn fijne witte wolkensluiers, soms egaal (de blauwe lucht wordt dan meer melkachtig), soms vezelachtig. De zon schijnt gemakkelijk door de dunne wolken heen en door de ijskristallen is er een grote kans op optische effecten, zoals halo’s en bijzonnen. Cirrostratuswolken duiden op een weersverandering. Wanneer de zon verdwijnt achter de steeds dikker wordende wolkenlaag zal het binnen een paar uur gaan regenen.

Cirrocumulus zijn kleine watjes, plukjes, ribbels of bolletjes, vaak aaneengegroeid of gegroepeerd. De kleur is wit, zonder contrasten. De zon en de maan schijnen moeiteloos door cirrocumulus en kunnen corona’s of irisatie veroorzaken. Deze wolken beslaan een groot oppervlak en wijzen op een toenemende luchtvochtigheid, dus ‘slechter’ weer op komst.

Middelhoge bewolking (tussen de 2 en 5,5 km) 

Altocumulus (schapenwolkjes) ligt qua uiterlijk precies tussen stratocumulus en cirrocumulus in, met tamelijk kleine, witte wolkjes, waarbij de onderzijde iets donkerder van kleur is. De wolken zijn vaak uitgestrekt over een groot gedeelte van de hemel. Deze wolken zijn een voorbode van onweer laat op de dag, zeker wanneer karakteristieke torentjes worden gevormd. In andere gevallen staat altocumulus voor een weersverslechtering binnen 12 tot 24 uur.

Altostratus lijkt wel wat op cirrostratus, want ook nu schijnt de zon door de vormloze grijze bewolking heen, maar minder krachtig. Zo zijn er geen schaduwen te zien, evenmin halo’s en bijzonnen. Zolang de zon schijnt en de wolken niet veranderen, blijft het rustig weer. Gaat de zon eenmaal weg, dan gaat het regenen of sneeuwen.

lage, enigszins gestapelde wolken met een bovenzijde die lijkt op kantelen of torens, meestal wijzend op chaotische windrichting
Stratocumulus. Lage, enigszins gestapelde wolken met een bovenzijde die lijkt op kantelen of torens, meestal wijzend op chaotische windrichting.

Lage bewolking (lager dan 2km hoogte): 

Cumulus (schapen- of stapelwolken) zijn witte wolken met een donkerder basis, vaak met een ronde top. In de loop van de dag worden ze onder invloed van de zonnewarmte steeds groter. Zeker met een vlakke onderkant is cumulus een echte mooi-weer-wolk. Cumulus kan uitgroeien tot een buienwolk wanneer deze al vroeg in de ochtend wordt gevormd. Ontstaan ze pas in de middag en lossen ze  ’s avonds weer op, dan is dat een teken van mooi weer.

Convectieve bewolking (gaat door alle hoogtes heen): 

Cumulonimbus (bloemkoolwolk) is een hoog opbollende buienwolk. Omdat deze wolk zo enorm groot is, valt deze niet in één van de hiervoor beschreven categorieën. Vaak zit er bovenop de wolk een nevelige top in de vorm van een aambeeld. Cumulonimbus levert potentieel gevaarlijk weer op, met onweer, zware windstoten, veel neerslag en hagel of sneeuw. Onder bijzondere omstandigheden kan zo’n bui uitgroeien tot een supercel, mogelijk met een tornado tot gevolg.

Fototips

Een aangepaste belichting

In verreweg de meeste gevallen is de lucht lichter dan de omgeving. Bij zware, ‘gitzwarte’ wolkenluchten kan de situatie ineens omgekeerd zijn. Wanneer dan overbelicht wordt, blijft er weinig over van het dreigende karakter van het naderende noodweer. In deze gevallen kan beter iets onderbelicht worden om de sfeer te benadrukken. Hoeveel de belichting exact aangepast moet worden, is uiteraard afhankelijk van de lichtintensiteit van de wolk zelf, maar ook van bijvoorbeeld het landschap. Zo is het nogal bepalend of de zon nog op het landschap schijnt of net verdwenen is. Doordat de lucht zo donker is, is het vaak niet eens nodig om filters te gebruiken. Met filters kan een dergelijke wolkenlucht natuurlijk nog wel extra aangezet worden. Hierbij moet je er wel voor waken, dat het geheel er natuurlijk uit blijft zien. Een apocalyptische lucht zal door weinigen als ‘natuurlijk’ ervaren worden.

Panoramafoto’s

Sommige wolkenluchten zijn indrukwekkend door de uitgestrekte schaal, of het nu gaat om een rolwolk of om langgerekte wolkenstraten. Natuurlijk kun je de beeldhoek vergroten door uit te wijken naar een (extreme) groothoeklens. De resolutie van de camera is dan uiteindelijk de beperkende factor, omdat de aanwezige elementen verdeeld moeten worden over het aantal pixels. Het alternatief is het aan elkaar monteren van meerdere staande foto’s, het zogenaamde stitchen. De camera wordt hiervoor verticaal op een statief geplaatst. Dit statief moet perfect waterpas staan. De scherpstelling wordt manueel bepaald, evenals de sluitertijd en het diafragma via de M-stand van de camera. Laat je dit aan de ‘automaat’ over, dan resulteert dit in verschillende belichtingen, die nog nauwelijks aan elkaar te stitchen zijn zonder afwijkingen te krijgen. Vervolgens wordt een reeks gemaakt, waarbij iedere foto ongeveer 30% overlap heeft met de vorige. Met Photoshop of een speciaal stitch-programma worden de beelden vervolgens aan elkaar gemonteerd. Bij heftig weer moet wel snel gewerkt worden, aangezien de wolken razendsnel kunnen bewegen en het licht voortdurend verandert.

Bij een panoramafoto kun je beter geen polarisatiefilter gebruiken omdat het effect van het filter bij iedere beeldhoek anders is. Het risico bestaat dat er vreemde kleurschakeringen ontstaan in de lucht. Het gebruik van verloopfilters levert geen problemen op.

De meeste weerfoto’s worden in een open omgeving gemaakt, waarbij alle elementen zich op grote afstand van de camera bevinden. Onder dit soort omstandigheden kan met iedere statiefkop een panoramafoto gemaakt worden. Wanneer zich echter objecten dichtbij de camera bevinden, ontstaan afwijkingen tussen de voor- en achtergrond, hetgeen resulteert in vreemde naden, bijvoorbeeld een tak die ineens verspringt. In dergelijke gevallen kan beter een speciale panoramakop gebruikt worden. Hiermee kan de camera precies op het ‘nodal point’ gepositioneerd worden, het punt waarop geen vertekeningen plaatsvinden tijdens het draaien.

Verspreidingskaart

Meer weten?

Panoramafoto’s samenstellen

Karin Broekhuijsen in Beeld

Time-lapse fotografie

En dan nog dit!

Dit artikel is afkomstig uit het Praktijkboek fotografie Weer, nacht en natuurverschijnselen.

Meer lezen over weerfotografie?

Koop ons Praktijkboek fotografie weer, nacht & natuurverschijnselen.
Hét standaardwerk over weerfotografie.
Te koop bij de betere boekhandel en via de webshop.

cover weerfotografie praktijkboek

Deel dit artikel